Meteen naar de content

Mainline roept op tot herijking drugsbeleid

Hoog tijd om het beleid kritisch onder de loep te nemen. Waardeer de oude waarden van ons beleid, maar zorg ook voor meer samenhang.

herijking drugsbeleid
Foto: Rob Voss

Sinds de ontwikkeling van het Nederlands drugsbeleid in de jaren zeventig is het beleid gericht op beheersen en terugdringen van druggerelateerde problemen op het gebied van gezondheid en veiligheid. Trefwoorden daarbij zijn: pragmatisch, humaan, realistisch en gestoeld op wetenschappelijk onderbouwde feiten. Helaas lijkt de Nederlands overheid deze waarden langzaam uit het oog te verliezen. Bijna vijftig jaar later, anno 2023, is het Nederlandse drugsbeleid dringend toe aan een herijking. Een beleid dat niet enkel het ministerie van VWS aangaat, maar innig is verweven met de inzet van het ministerie van Justitie en Veiligheid. In deze position paper pleit stichting Mainline voor een herwaardering van de oude waarden van ons beleid, maar ook voor beleid met meer samenhang.

Het Nederlandse drugsprobleem: een verschuiving

Sinds de jaren ’70 zijn er op het vlak van volksgezondheid enorme stappen gezet in de steun en zorg voor mensen die drugs gebruiken. Vanuit het perspectief van publieke gezondheid is ons beleid een groot succes: Nederland heeft drugsoverlast op straat in de jaren ’90 en ’00 sterk weten te verminderen. Er is vrijwel geen injecterend druggebruik in Nederland en hierdoor relatief weinig overdracht van infectieziekten en er is een diverse infrastructuur van preventie, harm reduction en verslavingszorg. Door recente bezuinigingen, groeiende ongelijkheid en extreme prijsstijgingen komen er helaas weer meer mensen op straat terecht en neemt ook druggerelateerde overlast op straat toe. Toch zijn deze ontwikkelingen, waar de meest kwetsbare mensen in onze samenleving het meest onder lijden, niet de focus van het maatschappelijk debat.

In het publieke debat en binnen de politiek domineren de problemen die ontstaan rond de productie van en handel in verboden middelen. Nederland is een belangrijke doorvoerhaven voor cocaïne en een producent van middelen als MDMA en meth-amfetaminen. Nederlanders spelen hiernaast een belangrijke rol in de online drugshandel. Dit alles resulteert in geweld, corruptie, witwassen en fraude en andere ondermijnende criminaliteit. Inmiddels wordt een groot deel van de politiecapaciteit ingezet op drugszaken en is de strafketen mede hierdoor verstopt geraakt. Vele miljarden stromen naar de aanpak van deze criminaliteit. Het druggebruik neemt echter niet af.

Vreemd genoeg is de justitiële aanpak niet gestoeld op wetenschappelijk onderbouwde feiten, zoals ons drugsbeleid voorschrijft. De doelstellingen achter het justitiebeleid zijn niet helder verwoord en de huidige aanpak wordt niet op transparante wijze gemonitord of geëvalueerd. Hoe weten we of ons huidige beleid het gewenst effect sorteert of dat het juist tot meer geweld en onveiligheid leidt? Naast de verschuiving van het drugsdossier – qua visie en overheidsinvestering – van een volksgezondheidsaanpak naar een justitiële en meer repressieve insteek is er geen consistent beleid rond de omgang met verschillende middelen. Aan de ene kant worden middelen verboden, aan de andere kant gereguleerd of juist gepromoot.

middelen verbieden

Binnen deze verschuivende trends, is de maatschappelijke visie op drugs conservatiever geworden. Druggebruikers worden – zonder onderscheid te maken tussen de diverse groepen mensen die drugs gebruiken en zonder aandacht te besteden aan de vaak complexe motieven die mensen hebben om drugs te gebruiken – verantwoordelijk gehouden voor druggerelateerd geweld. Politici halen regelmatig uit naar wat zij noemen ‘hedonistische cokesnuivers’. Deze maatschappijvisie zorgt voor een stroom aan nieuwe wetgeving.

Neem als voorbeeld het lachgasverbod. De problemen met lachgas leken – onder meer door berichtgeving in de media – de pan uit te rijzen. Inderdaad: een middel dat eerst vrij onschuldig leek, blijkt voor een kleine groep gebruikers ernstige gevolgen te hebben. Bovendien werd het in gevaarlijke situaties gebruikt, zoals het verkeer. De oplossing: een verbod. Of dit gezondheidswinst oplevert voor gebruikers is nooit geëvalueerd of onderzocht – bijvoorbeeld bij andere middelen die eerder op de opiumlijst terechtkwamen.1 Dit terwijl minister Kuipers aangaf in het commissiedebat van J&V van 22 februari hoe belangrijk hij het vindt dat ons drugsbeleid wetenschappelijk onderbouwd is. Direct in januari, een paar dagen na de ingang van het lachgasverbod, bleek bovendien dat de politie geen capaciteit heeft voor de handhaving.

Een volgende maatregel die op stapel staat is de nieuwe wetgeving rond nieuwe psychoactieve stoffen. Deze wet moet het kat-en-muisspel doorbreken tussen producenten van designerdrugs en beleidsmakers. De nieuwe wet verbiedt hele groepen stoffen. Ook voor dit verbod ontbreekt een aanwijzing dat dit gezondheidswinst oplevert. De groep Nederlandse gebruikers van designerdrugs is bovendien klein en vormt een beperkte bedreiging voor de volksgezondheid. Daarbij speelt ook hier een capaciteitsprobleem rond de handhaving. De handhaving vraagt bovendien een hoog niveau van technische kennis. Een factsheet (september 2022) van de onderzoeksgroep Parlement en Wetenschap bracht een negatief advies uit over de doorvoering van de nieuwe wetgeving. Evengoed is de wet nu in de voorbereidende fase.

Middelen toestaan

Tegelijkertijd probeert Nederland al decennia het wietbeleid te verruimen. Allerlei landen halen ons vastgelopen gedoogbeleid in en reguleren de gehele keten van productie, handel en verkoop van cannabisproducten. Ook Nederland wil deze stap nemen. Legalisering van de kweek en handel kan de drugscriminaliteit die ontstaan is aan de achterkant van de coffeeshop effectief bestrijden. Keer op keer vertraagt dit experiment – niet per se als gevolg van voortschrijdend inzicht, maar wel door eindeloos polderen en stevige bureaucratisering. De gebrekkige daadkracht om het experiment efficiënt uit te rollen bedreigt op deze manier een maatregel die an sich een positief effect op de maatschappelijke gezondheid en veiligheid zal hebben.

Het medicinaal inzetten van MDMA en andere psychedelica is een andere trend waar beleidsmakers achter de feiten aanlopen. Een staatscommissie buigt zich dit jaar over het toestaan van MDMA in therapeutische setting. De ontwikkelingen in dit veld zijn veelbelovend en gaan ontzettend snel. Het lijkt onvermijdelijk dat de herwaardering van MDMA – en daarna waarschijnlijk ook van middelen als psilocybine en ketamine, de aandacht zal trekken van recreatieve gebruikers of van mensen die niet in aanmerking komen voor een behandeling of op een wachtlijst terechtkomen. De staatscommissie heeft echter (nog) geen mandaat om naar een herwaardering van MDMA te kijken voor recreatieve gebruikers. Daarnaast communiceert het ministerie niet helder waarom middelen die voorheen op lijst 1 van de Opiumwet stonden, en in dezelfde categorie vallen als heroïne, cocaïne en meth-amfetamine, ‘toch niet zo gevaarlijk’ blijken te zijn. Zonder een zorgvuldige communicatiestrategie zal de overheid haar geloofwaardigheid verliezen waar het gaat om drugsbeleid.

Middelen promoten

Waar er in het reguleren van middelen als cannabis en MDMA in ieder geval een wetenschappelijke toets wordt meegenomen, is dit zeker niet het geval waar het gaat om het beleid rond alcohol en gokken.

Het is binnenkort mogelijk om een biertje tijdens een knipbeurt bij de kapper te drinken. Alcohol wordt hierdoor verder genormaliseerd en het aantal contactmomenten vergroot (blurring). Iets dat haaks op het nationaal preventie-akkoord staat. De wens is daar uitgesproken om het overmatig alcoholgebruik terug te dringen. In deze beslissing is de volksgezondheid niet leidend geweest. De lobby van de alcoholindustrie en Nederlandse horeca blijkt wel een sturende factor.

Hiernaast is het gokbeleid onlangs versoepeld middels nieuwe wetgeving. Gokken is dan geen middel, maar toch kampen in Nederland een hoop mensen met een gokverslaving. Online aanbieders uit de gokwereld kregen door de nieuwe wetgeving toegang tot de Nederlandse markt. Tegen het advies van de verslavingszorg in, zijn ook reclames voor online gokken sinds 1 oktober 2021 toegestaan. Met alle gevolgen van dien. Vanuit de verslavingszorg zijn er geluiden dat de aanmeldingen stijgen en de gemiddelde leeftijd van cliënten daalt. Schrijnend genoeg blijkt haastig geschreven wetgeving lastig terug te draaien en de overheid staat machteloos tegenover de ruimte die de gokmarkt inneemt. Dit laatste ondanks het blinde vertrouwen dat de overheid had in het ‘zelfregulerende’ vermogen van de sector en het vertrouwen dat bedrijven hun ‘maatschappelijke verantwoordelijkheid’ zouden nemen.

Normalisering van middelengebruik

In de chaos van ons drugsbeleid komt ten slotte de term ‘normalisering’ terug. Ook in deze discussie ontbreekt een objectieve basis. Een analyse van de beschikbare data wijst niet op een enorme stijging in het druggebruik van Nederlanders. Het overgrote deel van de Nederlanders heeft geen interesse in drugs en dit geldt ook voor de grote meerderheid van de jongeren. Het percentage ‘ooit gebruikers’ blijft over de tijd stabiel. Wat hierbij niet helpt is dat de term ‘normalisering’ onvoldoende gedefinieerd is om het een goed meetbaar concept te maken2. Toch domineert deze perceptie van normalisering van druggebruik het politieke debat en wordt op basis van deze ongefundeerde morele argumentatie beleid gemaakt.

Oproep tot visie, samenhang en verschuiving budget

Op basis van het bovenstaande concludeert Mainline dat het huidige Nederlandse drugsbeleid ad hoc, reactief, op basis van morele aannames en willekeurig tot stand komt. Het is daarom hoog tijd voor een herijking van het drugsbeleid. Mainline roept daarom op tot de volgende acties:

  • Het opzetten van een staatscommissie om het Nederlandse drugsbeleid te evalueren en te herijken. Hierbij is het van belang zowel de justitiële aanpak als de aanpak rond volksgezondheid samen te brengen.
  • Het stoppen van investeringen in beleidsmaatregelen die niet wetenschappelijk onderbouwd zijn. Dit geldt aan de kant van volksgezondheid, maar zeker ook aan de kant van justitie en veiligheid.
  • Het ombuigen van de hierbij vrijgekomen budgetten naar maatregelen die aantoonbaar effectief zijn zoals: preventie, harm reduction, verslavingszorg, goede dag- en nachtopvang en huisvesting voor daklozen (housing first) om de meest kwetsbare, middelenafhankelijke Nederlanders te ondersteunen.
  • Het krachtig uitdragen van wetenschappelijk onderbouwd beleid – waaronder harm reduction – in de internationale diplomatieke arena. Sta voor behaalde successen uit het verleden en buig minder voor internationale druk om ons ‘drugsprobleem’ aan te pakken.
  • Het kritisch nadenken over de inzet van schaarse politiecapaciteit: met daarbij een verschuiving naar meer agenten op straat en in wijken en inzet op high-impact crime (zoals verkrachtingen en moorden).

Gerelateerde
berichten

beleid

Conferentie Dealing with Drugs in Amsterdam